De centrale hal van de Universiteit van Amsterdam is niet direct een locatie die amoureuze gevoelens oproept. En toch worden hier vandaag studenten, met iPod in de oren en grijze joggingbroek op weg naar hun college, verleid tot een speeddate. Weliswaar niet met een potentiële partner, maar met een ontwikkelingsorganisatie. Om te kijken of het klikt, dat wel. Aan de mooi aangeklede tafeltjes, voorzien van folders en fairtrade fruitdrankjes, moet het gesprek vooral gaan over de mogelijkheden op ontwikkelingsgebied. Adressen van websites worden genoteerd, folders weggegeven. Na vier minuten klinkt een luide gong en moeten de deelnemers doorschuiven naar de volgende wereldverbeteraar. Opnieuw worden er handen geschud. Aan een van de tafeltjes zit Robert, een jonge gymleraar die zich in zijn vrije tijd inzet voor War Child. Zijn vaste openingszin: “Waar ken je War Child van?” wordt door bijna elke dater beantwoord met ‘Marco Borsato’. “Niet erg hoor, dat betekent dat hij zijn werk goed doet en bekendheid geeft aan de organisatie”, vindt Robert. Zelf hoop hij in de toekomst ooit sportles aan kinderen in oorlogsgebieden te geven. Veelbelovend
Het ontwikkelingsdaten komt uit de koker van drie bevlogen studenten. Laagdrempelig en gezellig, dat hadden de drie studenten voor ogen toen ze hun plan bedachten. “Een betere wereld begint met een date”, lacht studente Andrea Goezinne van de Move Your World Academy. Move Your World is het speciale jongerennetwerk van NCDO, dat jongeren actief bij ontwikkelingssamenwerking wil betrekken. Want dat gebeurt niet vanzelf. Uit onderzoek blijkt dat 95 procent van de jongeren zich wel eens zorgen maakt over de armoede en ellende in de wereld, maar dat slechts vijf procent zich daadwerkelijk inzet om iets aan de situatie in ontwikkelingslanden te doen. De reacties van de studenten op de Universiteit van Amsterdam lijken veelbelovend. “Meer dan 80 procent van onze deelnemers gaf aan ideeën te hebben opgedaan om zelf iets met ontwikkelingssamenwerking te doen”, vertelt Goezinne. “Natuurlijk moet je dat altijd nog maar afwachten, maar we hebben wel iets losgemaakt bij de studenten.” Dat slechts vijf procent van de jongeren echt de koffers pakt naar een ontwikkelingsland, lijkt weinig, maar het is dan ook niet voor iedereen weggelegd. Uit een rondvraag onder studenten blijkt dat door de kosten, tijd en angst voor het onbekende slechts een klein aantal jongeren de uitdaging aan gaat. ICCO, de interkerkelijke organisatie voor ontwikkelingssamenwerking, selecteert jaarlijks ongeveer 25 jongeren voor verschillende projecten in ontwikkelingslanden. Als voorbereiding op hun reis biedt ICCO een half jaar lang trainingen en workshops. Daan Verbaan, coördinator van het internationaal jongerenprogramma, typeert de jongeren als ‘studenten met veel interesse voor andere culturen en de ontwikkelingsproblematiek’. “Vaak volgen ze een studie in die richting, zoals culturele antropologie of sociale geografie”, is de ervaring van Verbaan. Toch zijn goede doelen niet alleen voor fanatiekelingen. Maar liefst 52 procent van de jongeren zegt het ‘hip’ te vinden om je in te zetten voor een betere wereld. “Gelukkig maar, want jongeren moeten de boodschap voor de volgende generaties levend houden,” zegt Daan Verbaan. “Als ze zich inzetten voor een project, betrekken zij automatisch hun vrienden, familie en studiegenoten erbij. Dit brede draagvlak is voor de toekomst van ontwikkelingssamenwerking erg belangrijk.”Populair geneuzel
Ouderwets debatteren over mondiale problemen, zoals in de jaren zeventig gebruikelijk, kan ook nog steeds. De in 2002 opgerichte stichting Coolpolitics wil laten zien dat politiek niet saai hoeft te zijn en organiseert met succes debatten op muziekfestivals. “We hopen dat jongeren bij zichzelf te rade gaan welke maatschappelijke onderwerpen zij belangrijk vinden”, vertelt directeur Jaap Spreeuwenberg. “Maar we willen onze boodschap vooral niet door hun strot duwen. Dat werkt niet.” Spreeuwenberg (32), zelf afgestudeerd politicoloog, is net terug van een reis naar Cambodja. In zijn kantoor in het multiculturele Amsterdamse stadsdeel de Baarsjes blikt hij terug op wat Coolpolitics de eerste zes jaar bereikt heeft. “Wij hebben het politieke debat op festivals geïntroduceerd, en politici en Nobelprijswinnaars naar onze podia gehaald. Eerst was dat ‘raar’, maar nu is er geen festival meer zonder debat.”
Hyves voor goede doelen
De televisie blijft voor 67 procent van de jongeren nog steeds dé manier om wat over de wereld te weten te komen, maar internet is in vliegende vaart in opkomst. Het succes van digitale vriendennetwerken zoals Hyves en Facebook inspireerde Anna Chojnacka (29) om de 1 Procent Club op te richten. Het idee is simpel. Jongeren tussen de 25 en 35 jaar doneren via internet één procent van hun maandelijkse inkomen, tijd of kennis aan zelf uitgekozen projecten. Anna, zelf in 2003 de Nederlandse jongerenvertegenwoordiger bij de Verenigde Naties, is ervan overtuigd dat er veel potentie is onder jongeren. “Maar die wordt te weinig benut. Er zijn in Nederland miljoenen jonge mensen met een goede baan en een lekker leventje. Deze groep heeft behoefte aan een nieuwe manier van ontwikkelingssamenwerking, waarbij transparantie, kleinschaligheid, betrokkenheid en geefplezier centraal staan.” De goede doelen op de website van de 1 Procent Club lijken aan deze criteria te voldoen. Neem het fietsproject ‘Cycling out of poverty’ in Ghana, dat 500 euro nodig had voor vijftien nieuwe fietsen. Binnen een maand was dit bedrag bij elkaar. Wie inlogt op de website en geld doneert, kan precies zien waar het geld heen gaat en hoeveel geld er nog nodig is. Bovendien hebben alle leden een eigen profiel waarop staat welke projecten de betreffende persoon steunt en waarop berichtjes kunnen worden achtergelaten. Een soort Hyves, maar dan voor goede doelen. Directeur Anna Chojnacka noemt de aanpak van haar stichting ‘Ontwikkelingssamenwerking 2.0’. “Het werkt net als de internet-encyclopedie Wikipedia: iedere internetgebruiker is daarbij zender, ontvanger en controleur. Je kan zelf nieuwe projecten toevoegen en het melden als een project geen goede resultaten boekt. Ook dat is het principe van Ontwikkelingssamenwerking 2.0: iedereen kijkt mee.” Anna en mede-oprichter Bart Lacroix, die eerder werkte voor ontwikkelingsorganisatie VSO in Tanzania, opereren vanuit een klein kamertje aan de Amsterdamse Nieuwezijds Voorburgwal. “Een groot kantoor is nergens voor nodig. Telefoon en een internetverbinding volstaan om contact te onderhouden met de hele wereld.”
Maar om de leden écht te leren kennen, gaat er niets boven een levensechte, niet-virtuele borrel. Aan het einde van de werkdag op een doodgewone donderdag is
Club Bitterzoet in het centrum van Amsterdam behoorlijk vol met 1 Procenters. Ook economiestudent Maurice van Erven is naar de kroeg gekomen om het gezicht achter de 1 Procent Club te ontdekken. Hij kwam in contact met de 1 Procent Club via een huisgenoot die op een school in Peru werkte. “Ik steun de school nu via de 1 Procent Club en weet zeker dat het geld goed terechtkomt. Het grappige is ook dat je op de site kunt zien hoeveel geld een project nog nodig heeft. Als er nog 25 euro ontbreekt, strijk ik graag met de eer door die euro’s te doneren. Vrienden onder elkaar stoken elkaar ook op. Zo van ‘Ah joh, als jij nog wat geld geeft, kan het project van start gaan.’”
Overigens is het 1 procentsprincipe slechts een richtlijn, benadrukt Anna Chojnacka. “We kunnen natuurlijk niet controleren of mensen echt 1 procent van hun inkomen geven. Dat is symbolisch bedoeld, want we vragen mensen ook om 1 procent van hun tijd en kennis. Als je als vrijwilliger meegaat op een truck door Afrika en je tijdens die reis voor honderd procent inzet, dan zou dat volgens het 1 procent-principe genoeg zijn voor je hele verdere leven. Maar dat mag je uiteraard zelf uitmaken.”
2008 | 